Europees referentiekader

Het Europees referentiekader is een raamwerk van diverse taalniveaus. De niveaus zijn A1, A2, B1, B2 C1 en C2 en lopen van A1 - beginner tot C2 - bijna moedertaalspreker.

A1

Op A1-niveau kent de cursist dagelijkse uitdrukkingen en basiszinnen. Hij kan zichzelf aan anderen voorstellen en simpele vragen stellen en beantwoorden over zijn woonplaats, huis, vrienden, etc. Als de gesprekspartner duidelijk praat, kan hij op een eenvoudige manier reageren.

A2

De cursist begrijpt communicatie m.b.t. persoonsgegevens, familie en werk. Hij kan zich uiten in eenvoudige bewoordingen en communiceren over vertrouwde en alledaagse kwesties.

B1

Op dit niveau begrijpt de cursist het belangrijkste uit teksten op het werk en in zijn vrije tijd. Hij kan zich redden tijdens het reizen/ het alledaagse leven in het land waar de leertaal wordt gesproken. Hij kan teksten produceren over vertrouwde of persoonlijke onderwerpen en een beschrijving geven van ervaringen, gebeurtenissen, verwachtingen en ambities. Verder kan hij zijn mening geven.

B2

De cursist kan de hoofdgedachte bepalen van een ingewikkelde tekst, zowel over concrete als over abstracte en technische onderwerpen op het eigen vakgebied. Hij kan vloeiend en spontaan communiceren met moedertaalsprekers. Uiteenlopende zaken kan hij beschrijven in woord en geschrift. Ook kan hij een discussie aangaan en daarbij argumenten aanvoeren.

C1

Op dit niveau heeft de cursist geen enkele moeite meer om veeleisende, lange teksten te begrijpen en daarover te spreken. Hij kan zich vloeiend en spontaan uitdrukken zonder uitdrukkingen en woorden te hoeven zoeken. Dit geldt zowel voor communicatie op het sociale vlak als op werkgebied. Hij kan zich verder schriftelijk goed uitdrukken over complexe onderwerpen.

C2

De cursist op C2-niveau begrijpt bijna alles in de doeltaal. Hij kan geschreven en gesproken teksten samenvatten, argumenten reconstrueren en hiervan verslag doen. Hij drukt zich vloeiend, spontaan en precies uit en begrijpt de nuances in betekenis.